Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1019

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200707911/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 3 juli 2006 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] vergunning te verlenen voor het maken en hebben van een steiger boven boezemwater achter het perceel [locatie] te [plaats].


Uitspraak

200707911/1. Datum uitspraak: 17 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in zaak nr. 07/2688 van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 september 2007 in het geding tussen: [appellant] en het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Rijnland. 1. Procesverloop Bij besluit van 3 juli 2006 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] vergunning te verlenen voor het maken en hebben van een steiger boven boezemwater achter het perceel [locatie] te [plaats]. Bij besluit van 6 februari 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 25 september 2007, verzonden op 2 oktober 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 november 2007, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak, tezamen met de zaken nrs. 200707846/1, 200707909/1 en 200707955/1, ter zitting behandeld op 30 juli 2008, waar, voor zover thans van belang, [appellant], in persoon, bijgestaan door mr. J.W. Landman, advocaat te Leiden, en het college, vertegenwoordigd door J.J.G. Hopman en Th. van Urk, beiden werkzaam bij het hoogheemraadschap van Rijnland, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, van de Keur Rijnland 2006, zoals deze luidde ten tijde van het besluit van het college van 6 februari 2007, is het verboden onder en boven waterstaatswerken werken aan te brengen of te hebben. Ingevolge appellant 22, eerste lid, kan het college van de in deze Keur gestelde gebods- en verbodsbepalingen in de artikelen 6 tot en met 15 ontheffing verlenen. 2.2. Op 1 september 2006 is de Keur Rijnland 2006 van kracht geworden. In deze Keur is geen overgangsbepaling opgenomen met betrekking tot besluiten als het thans in geding zijnde. Het college heeft de aanvraag van [appellant] in het besluit op bezwaar, dat dateert van na de inwerkingtreding van deze Keur dan ook ten onrechte niet daaraan getoetst. De rechtbank heeft dit miskend. Aangezien de in dit geschil van belang zijnde bepalingen in deze Keur inhoudelijk vrijwel overeenkomen met die in de voor 1 september 2006 geldende Keur, ziet de Afdeling geen grond om tot vernietiging van de aangevallen uitspraak over te gaan. 2.3. Het college hanteert sedert enige jaren bij de toepassing van deze bepaling interne gedragslijnen die zijn neergelegd in zogeheten beleidsnota's integrale inrichtingscriteria watergangen en kunstwerken. Volgens versie 5.0 van deze beleidsnota van 27 september 2005 (hierna: de nota versie 5.0), voor zover thans van belang, mogen steigers worden geplaatst boven boezemwater waarbij de breedte van een steiger maximaal 1 meter mag bedragen en de lengte 5 meter. Tevens dient de ruimte tussen twee steigers minimaal 5 meter te bedragen. 2.4. Bij het besluit van 3 juli 2006, zoals gehandhaafd bij besluit van 6 februari 2007, heeft het college naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag van [appellant] van 10 mei 2006, geweigerd een vergunning te verlenen voor het maken en hebben van een steiger boven het boezemwater met een breedte van maximaal 1.00 meter en een lengte van 9,90 meter. Deze weigering dient te worden aangemerkt als een weigering een ontheffing als bedoeld in de Keur te verlenen. 2.5. [appellant] doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel door te betogen dat aan de bewoners van de woningen De Kwekerij 4 en 6 wel een ontheffing is verleend voor de door hen geplaatste steigers die vrijwel identiek zijn aan die van hem. 2.6. Voor 27 september 2005 hanteerde het college versie 3.2 van de nota integrale inrichtingscriteria watergangen en kunstwerken (hierna: nota versie 3.2). Noch de nota versie 3.2 noch de nota versie 5.0 is bekend gemaakt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 december 2006 in zaak nr. 200603029/1) heeft het niet bekend maken van een beleidsregel niet tot gevolg dat de inhoud van het daarin neergelegde beleid zonder betekenis is, doch slechts dat de aanvaardbaarheid van dat beleid in elk afzonderlijk geval dient te worden aangetoond. Het college heeft in het besluit op bezwaar vermeld wat de inhoud van het beleid is en hoe het verzoek van [appellant] daaraan getoetst is. Volgens het in de nota versie 3.2 neergelegde beleid wordt ten behoeve van de waterkwaliteit en de ecologie ter plaatse van belang geacht dat in een watergang zo min mogelijk overkluizingen aanwezig zijn. Door het maken van steigers boven oppervlaktewater neemt immers de toetreding van licht en lucht in dat water af en daarmee de waterkwaliteit. Een goede waterkwaliteit is eveneens een doel van het Waterbeheersplan 2000. Daarom is in de nota versie 3.2 bepaald dat de steigers maximaal 1 meter breed mogen zijn. Dit beleid was niet onredelijk te achten. In de thans aan de orde zijnde nota versie 5.0 heeft een verdere beperking van de afmetingen van de steigers plaatsgevonden en is bepaald dat steigers ten hoogste 5 meter lang mogen zijn en dat de ruimte tussen twee steigers minimaal 5 meter dient te bedragen. Hieraan is dezelfde motivering ten grondslag gelegd als die van nota versie 3.2. Niet is echter aangetoond dat deze verdere beperking met het oog op de waterkwaliteit en de ecologie ter plaatse noodzakelijk was. Bovendien is bij de vraag of voor de steigers ontheffing kon worden verleend, geen aandacht geschonken aan de omstandigheid dat reeds soortgelijke steigers ter plaatse aanwezig waren. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank niet onderkend dat het besluit van 6 februari 2007 in zoverre in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het betoog slaagt derhalve. 2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het college van 6 februari 2007 alsnog gegrond verklaren. Hetgeen [appellant] overigens in hoger beroep heeft aangevoerd behoeft gelet hierop geen bespreking. 2.8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 september 2007 in zaak nr. 07/2433; III. veroordeelt het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Rijnland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door het hoogheemraadschap van Rijnland aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; IV. gelast dat het hoogheemraadschap van Rijnland aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat. w.g. Van den Brink w.g. Groenendijk lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008 164.